Samenvatting Windenergieproject Jacobswoude

het voornemen
Waarom een Windenergieproject Jacobswoude?
De m.e.r.-procedure?
De alternatieven
De effecten van de alternatieven op de omgeving
De effecten samengevat
Vergelijking van de alternatieven per eenheid energieopbrengst
Mitigerende maatregelen
Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA)
Basis voor het MMA
Onderbouwing van het MMA
Resumé

Het voornemen

De Coöperatieve Vereniging Windmolengroep Jacobswoude (CVWJ) is voornemens om in de polder Vierambacht een windpark te realiseren. Het is op deze locatie mogelijk om een windpark te realiseren met een opgesteld vermogen van 15 tot 30 MW. De uiteindelijk te verwachtten productie van duurzame energie is afhankelijk van het aantal turbines en de definitieve inrichting van het windpark qua opstelling en type windturbine. Het is de bedoeling om de aanwezige mogelijkheden optimaal te benutten, met andere woorden er wordt gestreefd naar een maximalisatie van de energieopbrengst op deze locatie. Hiermee wordt aangesloten bij de provinciale doelstelling om die locaties die geschikt zijn voor windenergie zo optimaal mogelijk te gebruiken. Dit betekent dat een voldoende geïnstalleerd vermogen opgesteld moet worden waardoor de gewenste hoeveelheid duurzame energie op een rendabele wijze zal kunnen worden geproduceerd.

De volgende doelstelling is voor het project geformuleerd:
Het leveren van een bijdrage aan de terugdringing van de uitstoot van NOx, SO2 en CO2 door middel van het benutten van windenergie in de polder Vierambacht in de gemeente Jacobswoude met een elektriciteitsproductie van circa230 miljoen kWh per jaar. Dit is gelijk aan het elektriciteitsverbruik van circa 9230 huishoudens . Ter vergelijk, Jacobswoude heeft circa 4300 huishoudens. Hierbij dient sprake te zijn van een acceptabele kostprijs per geproduceerde kWh en van een redelijke terugleververgoeding (prijs per kWh) te betalen door het energiedistributiebedrijf dat de met de windturbines geproduceerde duurzame energie afneemt.

De voorgenomen activiteit kan dan ook worden omschreven als ‘het realiseren van een windpark met een elektriciteitsproductie van circa 30 miljoen kWh’.
top

Waarom een Windenergieproject Jacobswoude?

De belangrijkste aanleiding voor het project is het feit dat deze activiteit een aanvulling biedt op de agrarisch activiteiten van de CVWJ. Een windenergieproject is uitstekend te combineren met agrarische bedrijfsvoering. Met een bredere economische basis kan de agrarisch sector in een gebied met hoge grondprijzen goed gewaarborgd blijven in samenhang met het traditionele grondgebruik en beheer van het open landschap.2 Daar komt bij dat de exploitatie van een windpark een duurzame economische ontwikkeling is, die past bij het streven naar een verminderde inzet van fossiele brandstof (emissiereductie). Het voorgenomen project levert hiermee dan ook een bijdrage aan het Nederlandse en provinciale milieu- en klimaatbeleid, waarvan het windenergiebeleid onderdeel van uitmaakt. Nederland heeft internationale verplichtingen om te komen tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Stimulering van duurzame energie speelt daarin een belangrijke rol. Het rijk heeft met de provincies afspraken gemaakt over het op te stellen vermogen aan windenergie tot het jaar 2010. Deze afspraken zijn vastgelegd in de i n juli 2001 gesloten Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW). Voor Zuid-Holland geldt een doelstelling van 205 MW opgesteld vermogen aan windenergie in 2010. De provincie Zuid-Holland heeft deze ambitie opgeschroefd naar tenminste 250 MW in 2010 [Provincie Zuid-Holland, 18 februari 2003]. Met de realisatie van het windenergieproject in Jacobswoude wordt een bijdrage geleverd aan de provinciale doelstelling. De mogelijkheid voor het realiseren van een windpark op deze plek wordt al jaren genoemd in het provinciaal ruimtelijk beleid. Zo geeft het vigerende streekplan (1995) een lijnopstelling langs de N207 aan. In het rijks- en provinciaal beleid zijn uitgangspunten geformuleerd over wat wel en geen geschikte gebieden zijn voor de plaatsing van windturbines. Zo noemt de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening als keuze criteria voor locaties: in eerste instantie onder andere bij autowegen en in tweede instantie in grootschalige open landschappen. Aan beide criteria wordt in het windenergieproject Jacobswoude voldaan. De Nota WERVEL ( 22 oktober 2003) geeft gebieden aan die uitgesloten zijn voor plaatsing van windturbines. De polder Vierambacht behoort niet tot dit gebied. Evenals het ontwerpstreekplan ( februari 2003) geeft ook de nota WERVEL een voorkeursvolgorde aan voor lijnopstellingen. De voorgenomen activiteit in de polder Vierambacht valt onder de tweede categorie: ‘langs (hoofd)infrastructuur in combinatie met agrarisch gebied of recreatiegebied’. De gemeentelijke Structuurvisie Jacobswoude (2002) geeft aan dat voor de locatiekeuze voor de opstelling van windturbines de polder Vierambacht de voorkeur heeft boven de Wassenaarsche polder. Op 28 april 1999 heeft de gemeenteraad van Jacobswoude ingestemd met het rapport ‘Werken met Wind’, waarin de Vierambachtspolder wordt aangegeven als zoeklocatie voor het plaatsen van windmolens. Na het gereedkomen van ‘Werken met Wind” is een ambtelijke werkgroep geïnstalleerd met als taak het nader onderzoeken van de geschiktheid voor windenergie. Van deze ambtelijke werkgroep hebben deel uitgemaakt: de provincie Zuid-Holland, de gemeente Jacobswoude, EWR, WLTO en de initiatiefnemers. De conclusie van de werkgroep luidde dat de polder Vieramabcht geschikt is voor windenergie. In hoofdstuk 2 van het MER wordt nader ingegaan op de locatiekeuze. Nu dient de mogelijke inrichting van het windpark nader te worden onderzocht. Dit gebeurt in dit MER. Dit MER kan daarmee worden aangeduid als een inrichtings-MER.
top

De m.e.r.-procedure?

Het realiseren van windparken is op grond van het gewijzigde Besluit Milieu-effectrapportage 1994 (wijziging 7 mei 1999, Stb. 224) in een aantal gevallen m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D van het besluit, categorie 22.2). Deze m.e.r.-beoordelingsplicht geldt in gevallen waarin een gezamenlijk vermogen wordt bereikt van 10 megawatt (MW) dan wel 10 (nieuwe) turbines of meer worden opgericht. De m.e.r.-beoordelingsplicht houdt in dat vooraf getoetst moet worden op het voorkomen van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot het doorlopen van het m.e.r.-procedure. In dit geval is deze toets niet uitgevoerd en is door de initiatiefnemer in overleg met de gemeente Jacobswoude direct besloten tot het doorlopen van de m.e.r.-procedure.

Het doel van dit MER is het inzichtelijk maken van de effecten van mogelijke inrichtingsalternatieven op de omgeving. Het MER biedt daarmee informatie ten behoeve van de besluitvorming rondom het windpark.

De m.e.r.-procedure is gestart met de publicatie van de Startnotitie op 3 april 2002. Ten behoeve van het MER heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage op basis van de startnotitie en de inspraakreactie adviesrichtlijnen uitgebracht. De gemeenteraad van Jacobswoude – samen met de gemeenteraad van Alphen aan den Rijn het Bevoegd Gezag in deze – heeft de definitieve richtlijnen vastgesteld (d.d. 4 oktober 2002). De belangrijkste hoofdpunten van de richtlijnen zijn: Aandacht moet worden geschonken aan de gevolgen voor 1) het landschap (de openheid van het Groene Hart en de mogelijkheden voor landschappelijke inpassing), 2) de natuur (in het bijzonder vogels en vleermuizen), 3) de leefbaarheid i.c. de verschillende vormen van hinder die kunnen gaan ontstaan, alsmede 4) de milieuwinst die met dit project gerealiseerd kan worden (minder schadelijke emissies, duurzame energie).
In het MER dienen ten minste 4 inrichtingsalternatieven met elkaar vergeleken te worden, welke voldoen aan de doelstelling van het initiatief, passen binnen de randvoorwaarden welke samenhangen met de in het advies genoemde milieuaspecten en waarvan de milieueffecten per alternatief in omvang en aard duidelijk onderscheidend zijn. Er moeten voldoende alternatieven worden beschreven om het verschil tussen lijn- en clusteropstellingen en grote en kleine turbines te illustreren.
Voor de volledige inhoud van de richtlijnen wordt verwezen naar het advies voor de richtlijnen van de Commissie voor de Milieueffectrapportage (d.d. 25 juni 2002) en het raadsbesluit ten aanzien van de definitieve richtlijnen van 4 oktober 2002.
top

De alternatieven

Om de effecten van een windpark in de polder Vierambacht op de omgeving goed in beeld te brengen zijn er vijf inrichtingsalternatieven opgesteld. In de alternatieven is variatie aangebracht in de opstelling (een lijn, twee lijnen, cluster), in het aantal windturbines per alternatief, in de hoogte van de windturbines en het vermogen van windturbines (grote versus kleine windturbines). Conform de richtlijnen is in dit MER een bandbreedte in turbinetype aangehouden. Er is gekeken naar grote en kleine turbines in de zin van hoogte en van vermogen. Als ondergrens is gekozen voor een 750 kW turbine met een ashoogte van 60 meter en een rotordiameter van 48 meter. Op deze locatie moet minimaal een turbinetype van dit vermogen staan om te kunnen voldoen aan de doelstelling van het project, mede gezien de benodigde onderlinge afstand tussen de turbines. Als bovengrens is gekozen voor een 2000 kW turbine met een ashoogte van 100 meter en een rotordiameter van 80 meter, omdat dit – gegeven het windaanbod in de polder en de maat en schaal van het landschap – momenteel het grootst mogelijke verkrijgbare turbinetype is.

Uitgangspunten bij het ontwikkelen van alternatieven zijn geweest:
  • Het plangebied – het gebied waar de turbines geplaatst kunnen worden – is bepaald door het grondeigendom van de initiatiefnemers.
  • Alle windturbines in een alternatief hebben een gelijke hoogte en rotordiameter.
  • De onderlinge afstand tussen windturbines in een alternatief is gelijk. Hierbij is de regel van 4 tot 4,5 keer de rotordiameter aangehouden.
  • Er is een afstand van minimaal 4 keer de ashoogte tot woonbebouwing van derden aangehouden om zoveel mogelijk geluidshinder te voorkomen.
Lijnopstellingen worden zodanig in het landschap geplaatst dat deze visueel verbonden zijn met de N207.
  • De minimale afstand tot de N207 (inclusief busbaan) bedraagt 50 meter, waardoor de rotorbladen zich niet boven de weg bevinden. Hierdoor wordt voldaan aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat.
  • De geluidsbelasting (nachtwaarde) op geluidgevoelige bestemmingen (woningen) mag niet meer dan 40 dB (A) bedragen conform de norm van VROM.
Hierna worden de alternatieven kort beschreven. Voor de ruimtelijke weergave van de alternatieven wordt verwezen naar de kaartbeelden op de A3-pagina’s in hoofdstuk 3 van het MER. In dit hoofdstuk wordt ook het proces van alternatiefontwikkeling toegelicht.

Alternatief A: een lijn aan weeerszijden van de N207

Het eerste alternatief laat aan weerszijden van de N207 een lijn zien. Dit alternatief gaat uit van de plaatsing van 20 turbines met een vermogen van 750 kW aan weerszijden van de N207. Het opgesteld vermogen komt hiermee op 15 MW. De ashoogte van deze windturbines bedraagt 60 meter en de rotordiameter 48 meter. De toprotorhoogte (ook wel tiphoogte genoemd) komt hiermee op 84 meter. Dit alternatief produceert jaarlijks 29,5 miljoen kWh.

Alternatief B: een lijn ten oosten de N207

Het tweede alternatief bestaat uit een lijn ten oosten van de N207. Dit alternatief gaat uit van de plaatsing van 9 turbines met een vermogen van 2000 kW aan de oostzijde van de N207. Het opgesteld vermogen bedraagt in dit alternatief 18 MW. De ashoogte van deze turbines is 100 meter en de rotordiameter 80 meter. De toprotorhoogte is daarmee 140 meter. Dit alternatief produceert jaarlijks 46,0 miljoen kWh. Om te voldoen aan de geluidsnormen is in dit alternatief een preventieve maatregel genomen: vier van de negen turbines worden in de nachtperiode ingesteld op een lagere bronsterkte.

Alternatief C: twee lijnen ten oosten van de N207

Alternatief C bestaat uit twee lijnen ten oosten van de N207. Dit alternatief gaat uit van plaatsing van 12 turbines met een vermogen van 1500 kW opgesteld in twee rijen aan de oostzijde van de N207. Het opgesteld vermogen is hiermee 18 MW. De turbines hebben een ashoogte van 78 meter en een rotordiameter van 72 meter. De toprotorhoogte is 114 meter. Dit alternatief produceert jaarlijks 44,6 miljoen kWh.

Alternatief D: clusteropstelling in de polder Vierambacht

Alternatief D bestaat uit een clusteropstelling in het noordoosten van de polder Vierambacht. Hiermee is het plangebied maximaal gevuld met windturbines. Er worden 21 turbines met een vermogen van 950 kW per stuk geplaatst. Het opgesteld vermogen in dit alternatief komt hiermee op 19,95 MW. De ashoogte van de turbines is 60 meter en de rotordiameter 54 meter. De toprotorhoogte komt hiermee op 87 meter. Dit alternatief produceert jaarlijks 37,5 miljoen kWh.

Alternatief E: clusteropstelling in de polder Vierambacht

Alternatief E bestaat, evenals alternatief D, uit een clusteropstelling in het noordoosten van de polder Vierambacht. In dit alternatief worden 15 windturbines met een vermogen van 2000 kW per stuk geplaatst. Het opgesteld vermogen is hiermee 30 MW. De turbines hebben een ashoogte van 100 meter en een rotordiameter van 80 meter. De toprotorhoogte komt hiermee op 140 meter. Dit alternatief produceert jaarlijks 77,0 miljoen kWh. Ook in dit alternatief is het plangebied maximaal gevuld met windturbines. Evenals voor alternatief B geldt ook voor dit alternatief dat er een preventieve maatregel is genomen om te voldoen aan de geluidsnormen: twee van de 15 turbines zijn ingesteld op een lagere bronsterkte in de nachtperiode.

Met deze vijf alternatieven wordt de totale bandbreedte in vermogen, hoogte en ruimtelijke opstelling en daarmee het verschil in effect goed in beeld gebracht.
top

De effecten van de alternatieven op de omgeving

De effecten van de alternatieven op de omgeving zijn in beeld gebracht aan de hand van een aantal verschillende milieuaspecten. De effecten zijn bepaald ten opzichte van de referentiesituatie, dit is de situatie in 2020 na autonome (toekomstige) ontwikkelingen zonder realisatie van een windpark.
Hieronder worden de aspecten nader toegelicht.
  • Energie en emissies: bij dit aspect wordt gekeken naar de energieopbrengst van de alternatieven. Bepalend voor de energieopbrengst van een alternatief is de grootte van de rotor van de turbine, de hoogte van de rotor en natuurlijk het aantal turbines in het alternatief. Zo brengt een alternatief met weinig kleine turbines minder energie op dan een alternatief met veel grote turbines. Alternatief E brengt de meeste energie op en alternatief A het minste.
  • Ruimtegebruik: om de windturbines te kunnen plaatsen is een fundering nodig. Tevens zijn er onderhoudswegen noodzakelijk. Beide zorgen voor ruimtebeslag op het bestaande gebruik van het plangebied. Hierbij geldt hoe meer turbines een alternatief omvat, des te groter is het ruimtebeslag. Dit betekent dan ook dat alternatief A en D voor het meeste ruimtebeslag zorgen in vergelijking met de andere drie alternatieven. Overigens blijft het ruimtebeslag in alle alternatieven beperkt.
  • Landschap: ten aanzien van landschap geldt dat alle alternatieven impact hebben. De effecten van landschap zijn niet uit te drukken in kwantitatieve scores. Om de alternatieven onderling te kunnen vergelijken isde rangvolgorde van de alternatieven bepaald voor
    • het visuele effect (op kort, middellange en lange afstand),
    • de mate van passendheid bij de landschappelijke structuur en
    • landschapsvormend element.
    Dit is gedaan aan de hand van wetmatigheden en visualisaties. Bij het visuele effect gaat het om de zichtbaarheid van de windturbines (ashoogte en rotordiameter), de afstand waarop ze zichtbaar zijn, de wijze van ordenen en de afstand tussen landschappelijke elementen en de opstelling. Passendheid bij de landschappelijke structuur zegt iets over hoe het alternatief zich verhoudt tot zijn omgeving qua maat en schaal. Bij de mate van landschapsvormend element wordt gekeken in hoeverre de alternatieven een nieuwe landschappelijke identiteit creëren. Vanuit landschap komt alternatief B als meest gunstig naar voren, alternatief A scoort het minst gunstig.
  • Natuur: de realisatie van een windpark heeft gevolgen voor de aanwezige fauna, hoofdzakelijk vogels. Door bureau Waardenburg is in opdracht van de provincie een studie uitgevoerd naar de risico’s voor vogels op potentiële locaties voor windturbines in Zuid-Holland. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de risico’s voor vogels (verstoring, barrièrewerking, aanvaringsrisico) op deze locatie gering zijn. Ten aanzien van de effecten op natuur zijn de alternatieven weinig onderscheidend van elkaar. Wel kan worden gezegd dat de alternatieven die dichter bij de N207 liggen en een zo kort mogelijke lijn hebben beter scoren dat alternatieven met een langere lijn en die meer in de polder gelegen zijn. Alternatief C is het meest gunstige alternatief voor natuur. De overige alternatieven scoren minder gunstig.
  • Geluid: een windturbine maakt geluid. Naarmate het harder waait zal het geluid harder zijn. Met name de afstand van een woning tot de turbines bepaalt de hoogte van de geluidbelasting op die woning. Met een geluidsmodel zijn de geluidseffecten van de alternatieven bepaald. Alle alternatieven voldoen aan de geluidsnormen. Wel zijn in de alternatieven B en E hiertoe preventieve maatregelen genomen door een aantal turbines in de nachtperiode op een lagere bronsterkte te laten draaien. Om de alternatieven toch onderling te kunnen vergelijken is gekeken naar de toename van het aantal woningen waar geluidbelasting toeneemt met meer dan 3 dB(A). Deze toename van de geluidbelasting is hoorbaar. Voor alle alternatieven geldt dat de geluidbelasting ten opzichte van de autonome ontwikkeling toeneemt: de geluidscontouren komen verder van de weg te liggen waardoor het gebied waar geluidbelasting optreedt groter wordt. Alternatief A en C zorgen voor de minste toename van het aantal woningen en scoren daarmee het meest gunstig. Alternatief E zorgt voor de grootste toename van het aantal woningen en scoort hiermee het minst gunstig.
  • Hinder (slagschaduw): door het draaien van de wieken van de turbines kan enkele tiental minuten per dag hinderlijke schaduw ontstaan bij woningen. Meest bepalende factor hierbij is de afstand van de woningen tot de turbines en de positie van de woningen ten opzichte van de turbines en de zon. Met behulp van een rekenmodel is nagegaan bij hoeveel woningen hinder optreedt en wat de maximale duur van de hinder is. De eventuele hinder kan met een technische maatregel worden voorkomen.

top

De effecten samengevat

In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de belangrijkste milieueffecten per alternatief.
Tussen haakjes is de rangvolgorde van de alternatieven weergegeven.

Beoordelings-criterium

A B C D E

Energie

Energie opbrengst (min Kwh/jaar)

29.5
(5)

46.0
(2)

44.6
(3)

37.5
(4)

77.0
(1)

Vermeden emissies per jaar :
- CO2 (kton)
- zuuurequivalenten (*1000)


10.9
590
(5)


17.0
920
(2)


16.3
880
(3)


13.9
750
(4)


28.5
1540
(1)

Ruimtegebruik

Optreden van ruimtebeslag (m2)

4500
(4)

2025
(1)

2700
(2)

4725
(5)

3375
(3)

Ontsluiting percelen

+

+

+

+

+

Landschap

Visueel effect op middellange en lange afstand

2

1

2

5

4

Visueel effect op korte afstand

5

1

2

4

3

Passendheid bij landschappelijke struktuur

5

1

2

4

3

Mate van landschapvormend element

5

1

4

3

2

Natuur

Verstoring van vogels

-
(1)

-
(1)

-
(1)

-
(1)

-
(1)

Barrièrewerking vogels

-
(2)

-
(2)

-
(2)

-
(2)

-
(2)

Aanvaringsrisico's vogels

-
(1)

-
(1)

-
(1)

-
(1)

-
(1)

Geluid

Aantal woningen waar geluidsnorm wordt overschreden

0

0

0

0

0

Aantal wonigen waar geluidsnorm
toeneemt met meer dan 3 dB(A)*
  • 3-6 dB(A)
  • 6-9 dB(A)
  • 9-12 dB(A)
  • >12 dB(A)




  • +3
  • +2
  • 0
  • 0
(1)




  • +42
  • +2
  • 0
  • 0
(4)




  • +6
  • 0
  • 0
  • 0
(2)




  • +26
  • +2
  • 0
  • 0
(3)




  • +220
  • +1
  • +1
  • 0
(5)

Slagschaduw

Aantal gehinderde woningen

3
(2)

7
(4)

5
(3)

2
(1)

7
(4)

Maximale duur van hinder in uren per jaar

33.5
(5)

19.75
(4)

6.5
(2)

3.25
(1)

9
(3)

* Dit is de toename van het aantal woningen ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

Op basis van de tabel kunnen de volgende conclusies worden getrokken ten aanzien van de alternatieven:
  • Alternatief A levert de minste energie op en voldoet aan de doelstelling van dit project ( circa 30 miljoen kWh). Vanwege het grote aantal windturbines neemt het alternatief veel ruimte in beslag. Ook ten aanzien van landschap scoort dit alternatief niet gunstig. Alternatief A veroorzaakt wel weinig geluidhinder en slagschaduw.
  • Alternatief B voldoet ruimschoots aan de doelstelling van dit project. Ten aanzien van landschap scoort dit alternatief het meest gunstig. Er treedt meer hinder door geluid en slagschaduw op dan in meeste andere alternatieven.
  • Alternatief C voldoet ook ruimschoots aan de energiedoelstelling. Net als alternatief B scoort ook dit alternatief gunstig voor landschap. Ten aanzien van geluidhinder en slagschaduw scoort dit alternatief relatief goed.
  • Alternatief D voldoet aan de doelstelling van het project. Vanuit het oogpunt van landschap en geluid scoort dit alternatief minder gunstig. Qua slagschaduw scoort dit alternatief echter zeer gunstig.
  • Alternatief E voldoet ruimschoots aan de energiedoelstelling. Vanuit het oogpunt van landschap en ruimtegebruik scoort dit alternatief gemiddeld. Het alternatief leidt echter tot relatief veel hinder door geluid en slagschaduw.
De uitgebreide effectbeschrijving is opgenomen in hoofdstuk 6 van dit MER en de vergelijking is beschreven in hoofdstuk 4.
top

Vergelijking van de alternatieven per eenheid energieopbrengst

Naast de absolute vergelijking van de alternatieven per aspect zijn de effecten op de diverse milieuaspecten ook uitgedrukt in het positieve effect per eenheid energieopbrengst (uitgedrukt in mln kWh). Dit wordt gedaan omdat de alternatieven verschillen in de hoeveelheid energieopbrengst. Deze verschillen bepalen mede de effecten van de alternatieven. De berekening is gedaan door de kwantitatieve effectscores te delen door de energieopbrengst. Bijvoorbeeld het aantal gehinderde woningen bedraagt in alternatief A: 3. Wanneer dit aantal wordt gedeeld door de energieopbrengst (29,5 mln kWh), valt er in alternatief A een effect te verwachten van 0,10 woning per eenheid energieopbrengst. Er is ervoor gekozen om voor elk aspect één criterium aan te wijzen als indicator voor dit aspect. De effecten van deze indicator worden beschouwd als representatief voor het aspect.

In de onderstaande tabel zijn de effecten per eenheid milieuwinst voor alle aspecten weergegeven.
Tevens is de rangvolgorde van de alternatieven per indicator tussen haakjes aangegeven.

Beoordelings-criterium

A B C D E

Ruimtegebruik

Optreden van ruimtebeslag (m2)

152.4
(5)

44.02
(2)

60.54
(3)

126.00
(4)

43.83
(1)

Landschap

Totaalscore voor landschap

+/-
(5)

+
(1)

0
(2)

-
(4)

0
(2)

Natuur

Barrierewerking voor vogels

--

--

-

--

-

Geluid

Aantal woningen waar de geluidsbelasting verandert

0.17
(2)

0.96
(4)

0.13
(1)

0.75
(3)

2.88
(5)

Slagschaduw

Aantal woningen waar hinder optreedt

0.10
(3)

0.15
(5)

0.11
(4)

0.053
(1)

0.091
(2)


Wanneer de effecten per eenheid milieuwinst worden uitgedrukt, zien we een verschuiving in rangvolgorde voor de aspecten geluid en slagschaduw.
top

Mitigerende maatregelen

Voor de belangrijkste effecten (natuur, geluid en slagschaduw) is gekeken of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn, waardoor het effect kan worden beperkt of zelfs kan worden voorkomen.

Landschap

De effecten op het aspect landschap kunnen ten dele worden gemitigeerd door de volgende maatregelen:
  • Beperken van uitgestrektheid en omvang van de opstelling.
  • Het niet plaatsen van turbines in de polder ten zuiden van de Kruisweg, zodat plaatsing beperkt blijft tot één kwadraat van de polder.
Beide mitigerende maatregelen betekenen concreet het plaatsen van minder turbines in een alternatief. Alleen alternatief A en B komen in aanmerking voor deze mitigerende maatregelen, omdat in deze twee alternatieven spraken is van een uitgestrekte lijn en turbines te zuiden van de Kruisweg. Het niet plaatsen van een aantal turbines betekent overigens wel dat de energieopbrengst van een alternatief minder is.

Natuur

De effecten op het aspect natuur (vogels) kunnen worden gemitigeerd door de volgende maatregelen:
  • Beperken uitgestrektheid van opstelling in noord-zuid richting (zorgt voor vermindering van de barrièrewerking voor vogels).
  • Het niet plaatsen van turbines in de polder ten zuiden van de Kruisweg (zorgt voor vermindering verstoring).

Beide mitigerende maatregelen betekenen concreet het plaatsen van minder turbines in een alternatief. Alleen alternatief A en B komen in aanmerkingen voor deze mitigerende maatregelen, omdat in deze twee alternatieven sprake is van een uitgestrekte lijn en turbines ten zuiden van de Kruisweg. Het niet plaatsen van een aantal turbines betekent overigens wel dat de energieopbrengst van de twee alternatieven minder is.

Geluid

Preventieve mitigerende maatregelen

In twee alternatieven zijn preventieve mitigerende maatregelen opgenomen. In alternatief B en E worden respectievelijk vier en twee in de nachtperiode ingesteld op een lager bronvermogen. Hiermee wordt voorkomen dat geluidsnormen worden overschreden.

Extra mitigerende maatregelen

Een verhoging van de geluidbelasting met meer dan 3 dB(A) kan worden voorkomen door:
  • Het instellen van windturbines in nachtperiode op een lager bronvermogen.
  • Het niet plaatsen van een aantal turbines. Minder turbines in een alternatief betekent minder geluidbelasting ten gevolge van dat alternatief. Dit is alleen van toepassing voor windturbines die vlakbij geluidsgevoelige bestemmingen staan.
De twee mitigerende maatregelen zijn in alle alternatieven van toepassing. Bij het toepassen van een lager bronvermogen kan gericht worden gekeken bij welke turbine dit wel of niet wordt gedaan, zodat een verhoging van de geluidbelasting met meer dan 3 dB(A) op bepaalde woningen kan worden voorkomen. Het niet plaatsen van een aantal turbines in een alternatief betekent dat de totale geluidbelasting van het alternatief minder wordt. Naar verwachting neemt dan ook het aantal woningen waar de geluidbelasting met meer dan 3dB(A) toeneemt af. Deze maatregel heeft wel consequenties voor de energieopbrengst van een alternatief (zie ook hierboven bij natuur) en kan dus maar tot op zekere hoogte worden toegepast. Met deze laatste maatregelen kan een verhoging van de geluidbelasting met meer dan 3 dB(A) daarmee maar ten dele worden voorkomen.

Slagschaduw

Om hinder door slagschaduw te beperken dan wel te voorkomen is de volgende mitigerende maatregel mogelijk:
  • Aanbrengen van een stilstandregeling; deze zorgt ervoor dat de turbine uitgeschakeld wordt op het tijdstip dat er slagschaduw optreedt.)
Deze stilstandregeling is in de meeste alternatieven noodzakelijk om te voldoen aan normen voor slagschaduw. Dit gaat in beperkte mate ten koste van de energieopbrengst. In alternatief A moeten om aan de normen te voldoen minimaal twee turbine van een automatische stilstandregeling worden voorzien. In alternatief B betreft het ook twee turbine. In alternatief C en E gaat het om één turbine. In alternatief D hoeven geen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Met deze mitigerende maatregelen kan dus de effecten door slagschaduw volledig worden voorkomen. Wel moet worden opgemerkt dat deze maatregel kan leiden tot opbrengstderving.
top

Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA)

Naast inrichtingsalternatieven dient in het MER ook een zogenaamd Meest Milieuvriendelijk Alternatief ofwel MMA te worden ontwikkeld. Het MMA is geen nieuw alternatief: het gaat om een aanvulling op één van de bestaande alternatieven met extra maatregelen ter bescherming van het milieu (mitigerende maatregelen, zie hierboven) of ter vergroting van het positieve effect. Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn dan ook:
  • een optimale landschappelijke inpassing;
  • een zo beperkt mogelijke hinder voor de fauna in en nabij het plangebied;
  • een zo weinige mogelijke hinder op de woonomgeving door geluid, reflectie en slagschaduw;
  • een maximalisatie van de energieopbrengst.

top

Basis voor het MMA

Het effectenoverzicht (zie tabel S.1) laat zien dat alle alternatieven voor- en nadelen hebben. Op sommige aspecten scoort een alternatief goed en op andere weer minder. De alternatieven B en C komen als relatief gunstig naar voren ten opzichte van de andere drie alternatieven. Beide alternatieven scoren op de meeste aspecten relatief goed. Alternatief B scoort ten aanzien van energieopbrengst, ruimtegebruik en landschap het meest gunstig en alternatief C doet dit voor natuur, geluid en slagschaduw. De overige alternatieven scoren voor de aspecten minder gunstig.
Op basis van de uitgangspunten en richtlijnen voor het MMA is gekozen om alternatief B te gebruiken als basis voor het MMA. Belangrijkste reden hiervoor is dit alternatief het meest gunstig scoort voor het aspect landschap. Effecten op landschap zijn moeilijk te mitigeren. Voor zowel alternatief B als alternatief C geldt dat zij goed herkenbaar zijn als geheel en aansluiten bij de ruimtelijke structuur van de polder. Alternatief B is sterk gekoppeld aan de N207, waardoor dit alternatief de ruimtelijke structuur van de polder versterkt en de opstelling als landschapsvormend element kan worden beschouwd.
Alternatief C daarentegen is door de opstelling van twee lijnen geen lijn en geen cluster en laat de N207 in het landschap wegvallen. Alternatief B zorgt voor meer effecten op natuur, geluid en slagschaduw dan alternatief C. Voor deze effecten geldt evenwel dat deze relatief makkelijk te mitigeren zijn.
top

Onderbouwing van het MMA

Alternatief B bestaat nu uit één lijn aan de oostzijde van de N207 met negen turbines met een vermogen van 2000 kW. Het opgesteld vermogen in dit alternatief is dan ook 18 MW. De ashoogte van deze turbines is 100 meter en de rotordiameter 80 meter; de toprotorhoogte komt daarmee op 140 meter. Met deze opstelling scoort alternatief B vanuit het oogpunt van energie, ruimtegebruik en landschap als één van de beste. Hiermee voldoet dit alternatief aan de uitgangspunten van optimale landschappelijke inpassing en maximalisatie van de energieopbrengst. Aan het uitgangspunt van zo min mogelijk hinder voor mens en dier voldoet dit alternatief echter (nog) niet. Alternatief B zorgt immers voor hinder op woningen door slagschaduw en geluid en zorgt voor hinder van vogels. In het MMA dienen deze effecten dan ook gemitigeerd te worden.

Een kleiner turbinetype noodzakelijk

De provincie Zuid-Holland heeft in haar beleid aangegeven dat er (vooralsnog) geen turbines met een tiphoogte van meer dan 120 meter kunnen worden geplaatst. Dit betekent dat alternatief B in haar huidige vorm op dit moment niet kan worden gerealiseerd. Het alternatief omvat immers turbines met een tiphoogte van 140 meter. Een kleiner turbinetype in dit alternatief is daarom noodzakelijk. Een 1500 kW-turbine (ashoogte 78 meter, rotordiameter 72 meter, tiphoogte 114 meter) kan volgens het provinciaal beleid wel worden geplaatst. Een lijnopstelling van negen 1500 MW-turbines produceert jaarlijks zo’n 31 miljoen kWh aan energie. Hiermee voldoet deze opstelling aan de doelstelling van het project.

De lijnopstelling met negen stuks 1500 KW-turbines vormt dan ook het uitgangspunt voor bij de verdere vormgeving van het MMA.

Mitigatie van effecten

De lijnopstelling met negen 1500 KW-turbines zorgt voor een negatief effect op slagschaduw, geluid en natuur, zij het in mindere mate dan alternatief B. In het kader van het MMA is mitigatie gewenst.

Slagschaduw
De effecten van de lijnopstelling op slagschaduw kunnen worden gemitigeerd door het plaatsen van een automatische stilstandsregeling op de turbines. Hiermee wordt hinder door slagschaduw op woningen voorkomen. Een stilstandsregeling wordt dan ook op de turbines in de lijnopstelling aangebracht. De mogelijke opbrengstenderving is bij deze mitigerende maatregel minimaal.

Geluid
In vergelijking met alternatief B leidt de lijnopstelling met negen 1500 KW-turbines tot een zeer beperkte toename van het aantal woningen waar de geluidbelasting met meer dan 3 dB(A) toeneemt. Geluidsnormen worden echter niet overschreden. Het betreft in deze lijnopstelling een toenamen van vier woningen (in alternatief B waren dit er 44). Deze woningen zijn gelegen aan de Kruisweg en de Herenweg. Twee van de vier woningen zijn woningen van de initiatiefnemer. Geconcludeerd kan worden dat de lijnopstelling hiermee het meest gunstig scoort voor geluid in vergelijking met alle alternatieven.

Natuur
De effecten op natuur worden voornamelijk veroorzaakt door de lengte van de lijnopstelling. Hierdoor treedt er verstoring van de fauna op in de polder ten zuiden van de Kruisweg en is er in grotere mate sprake van barrièrewerking in vergelijking met de andere alternatieven. Deze effecten kunnen worden gemitigeerd door de lijnopstelling minder lang te maken, met andere woorden door minder of geen windturbines ten zuiden van de Kruisweg te plaatsen. Gekozen is om geen windturbines ten zuiden van de Kruisweg te plaatsen. De lijnopstelling omvat dan zes in plaats van negen turbines. Deze maatregel heeft leidt niet alleen tot een vermindering van het effect op natuur, maar heeft ook gevolgen voor de energieopbrengst en de geluidbelasting van de lijnopstelling. Minder windturbines betekent minder energieopbrengst. Een lijnopstelling met zes stuks 1500 KW-turbines brengt jaarlijks minder energie op dan de 31 miljoen kWh zoals eerder genoemd. Naar verwachting produceert een lijnopstelling met zes turbines (1500 KW) circa 21 miljoen kWh aan energie. Hiermee wordt de doelstelling van het project evenwel losgelaten. De reden hiervoor is dat voor de initiatiefnemer het uitgangspunt voor het MMA van een zo min mogelijk hinder van mens en dier zwaarder weegt dan die van maximalisatie van de energieopbrengst. Minder windturbines betekent ook minder geluidbelasting. Een lijnopstelling met zes windturbines leidt tot een toename van twee woningen waar de geluidbelasting met meer dan 3 dB(A) toeneemt. Hiervan behoren een woning toe aan de initiatiefnemers. Het geluidseffect wordt hiermee nog meer beperkt ten opzichte van de andere alternatieven.
top

Resumé

Het Meest Milieuvriendelijk Alternatief voor het windenergieproject Jacobswoude wordt gevormd door een lijnopstelling aan de oostzijde van de N207 met zes stuks 1500 kW-turbine. De lijnopstelling scoort vanuit landschappelijk oogpunt gunstig en de effecten op geluid, natuur en slagschaduw zijn minimaal. Deze lijnopstelling produceert jaarlijs circa 21 miljoen kWh aan energie. De jaarlijkse opbrengst staat gelijk aan het elektriciteitsgebruik van 6460 huishoudens. Geconcludeerd kan worden dat met dit MMA wordt voldaan aan de uitgangspunten van een optimale landschappelijk inpassing en een zo beperkt mogelijke hinder van mens en dier.

Uiteindelijke besluitvorming

Het voorliggende MER dient ter ondersteuning van de besluitvorming over het windenergieproject. Deze besluitvorming richt zich nu in eerste instantie op het wel of niet inzetten van een noodzakelijke wijziging van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Woubrugge. Het huidige bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor realisatie van windturbines met een ashoogte van circa 60 tot 120 meter. Op basis van de informatie die in dit MER is aangereikt neemt de gemeenteraad van Jacobswoude – al dan niet in overleg met de gemeente Alphen aan den Rijn – een besluit over het windenergieproject. Wanneer dit een positief besluit is, zal een bestemmingsplanherziening worden opgesteld. Op een later moment vindt dan besluitvorming over de bestemmingsplanherziening zelf plaats.
top